
Ad Turkenburg is
een goeie bekende in ons midden. Hij is een regelmatige inzender op
onze jaarlijkse tentoonstelling en als het enigszins kan is hij
aanwezig op onze vergaderingen. Hij heeft ook een ruime ervaring met
het kweken van vogels, want al in 1959 is hij met de vogelhobby
begonnen. Een oom van zijn vrouw was een fanatiek vogelkweker en hij
was van mening dat in ieder huis minstens 1 kanarie aanwezig moest
zijn. De toen nog piepjonge Ad kwam hierdoor gratis in het bezit van
een kanarie. In de loop van de jaren heeft hij heel wat
verschillende kleurkanaries gehouden, waaronder de klassieke kleuren
zoals goudgroen, agaat en isabel. Hij heeft zelfs samen met zijn
vrouw diverse tropensoorten gekweekt.
Zijn
thuisclub is v.v. De Diamantvink in Roelofarendsveen met een eigen
clubgebouw en veel gezelligheid. Op de tentoonstellingen van deze
club is een grote variatie aan vogels te zien. Dit jaar wordt hier
ook de districtstentoonstelling van Zuid-Holland georganiseerd.
Tevens is Ad naast lid van de ENGS ook lid van de Speciaalclub Vorm-
en Postuurkanaries en de ANPV.
Hij kreeg
interesse voor glosters doordat hij ze tegenkwam op
tentoonstellingen. De rust en de schoonheid straalde ervan af. Na
informeren bleek dat er een speciaalclub voor was, waar op de
tentoonstellingen meer dan 100 glosters werden tentoon gesteld.
Doordat hij telkens werd geconfronteerd met samenvoegingen doordat
er te weinig vogels in de diverse klassen waren, is hij deze
speciale tentoonstellingen gaan bezoeken en was de keuze niet
moeilijk om over te gaan op de glosterkweek. Jaren later zijn hier
borders bijgekomen, zodat er nu zowel glosters als borders in het
hok van Ad te vinden zijn in allerlei kleuren: van groen tot isabel.
Een leuke ervaring die hij in de beginperiode meemaakte was dat in
een nestje van 2 groene ouders 4 jongen lagen: 2 groenen en 2
bruinen.
De
glosters kweekt hij in 28 kweekkooien, waarbij hij gebruik maakt van
max. 15 mannen. Zo kweekt hij ieder jaar ongeveer 130 jongen. In de
kweekruimte van 6 x 3 meter zijn aan de ene zijde de 28
glosterkooien en 16 borderkooien te vinden. Aan de andere kant zijn
7 vluchtjes van 80 cm breed en 100 cm lang met daaraan nog de
mogelijkheid van buitenvluchtjes van 100 cm. In de zomer zijn die
dubbele vluchten zeer praktisch en gezellig in de tuin. Zijn vogels
zijn buitenvogels totdat de tussendeur afhankelijk van de
buitentemperatuur en vochtigheid dichtgaat. Dit gebeurt meestal zo
rond 15 oktober. Op de bodem liggen in de broedperiode
kattenbakkorrels. Buiten deze periode beukensnippers. Ionisatoren
hebben plaats gemaakt voor de stofzuiger. Tijdens de ruiperiode is
dit beter voor de vogels en voor de baas.
Zijn
kweekkoppels stelt hij als volgt samen: de koppels die mooie jongen
hebben voortgebracht komen weer bij elkaar. Via lijnenteelt zoekt
hij voor ongeveer 10 mannen 20 poppen uit, die tevens goed van
bevedering en kleur moeten zijn. Pas aangekochte vogels (ongeveer 5
per jaar) koppelt hij na iedere ronde met een andere partner. Deze
koppelingen geven maar zelden een verbetering van kwaliteit maar
zijn noodzakelijk voor een bepaalde kleurslag. Hij past wisselbroed
toe, m.u.v. poppen die een bepaalde man weigeren; die houden een
vaste man.
Ad voert
het hele jaar door een vaste samenstelling van zaad. Het
hoofdbestanddeel is 50 kg Witte Molen “Zwart” aangevuld met 15 kg
witzaad en 25 kg van diverse andere zaden (een 15-tal soorten).
Het
broedrijp maken van de vogels gebeurt op de natuurlijke manier. In
de rustperiode krijgen de vogels ongeveer 10 uur licht. Na de
showperiode begint hij direct met het verlengen van het licht, zodat
de mannen (die voor de lampen zijn gehuisvest) in de broedkooien
gelijk in broedconditie zijn als de poppen in de binnenvluchtjes die
over minder licht beschikken.
Tijdens de
kweek gebruikt Ad Cede als zachtvoer, aangevuld met Birdmax,
zeealgen en Gistocal. Dit wordt afwisselend rul gemaakt met honing
of vruchtensiroop. De kweekresultaten worden na een paar jaar met
een PC aan de slag te zijn geweest nu weer ouderwets in een
kweekschrift bijgehouden.
Poppen met
jongen van ongeveer dezelfde leeftijd gaan na ongeveer 18 dagen in
de binnenvluchtjes, waarbij poppen met nestdrang worden uitgevangen.
De mogelijkheid is er om jongen die bijgevoerd moeten worden te
scheiden van de poppen, die dan door het gaas de jongen nog bij
kunnen voeren. Hij geeft de vogels dan ruim eivoer met
blauwmaanzaad. Na ongeveer 28 dagen gaan ze over op ongemalen graan.
Sterfte komt bijna niet voor.
Voor de
selectie voor “eigen gebruik” kiest Ad vooral uit de eerste jongen
die er dan veelbelovend uitzien. Mede bepalend is ook de te volgen
kweeklijnen. Hij gebruikt veel overjarige vogels waarvan de
kweekresultaten al bekend zijn.
De
gewenning van de vogels aan de komende tentoonstellingen gebeurt
intensief. Jonge kuiven die er goed uitzien gaan in de broedkooi met
een tentoonstellingskooi voor een paar uur aan het front. Ook de
gladkoppen die in de vluchtjes blijven hebben een tt-kooi
voorhangen. Lekkere hapjes in de tt-kooien vormen de lokkertjes. Het
tentoonstellingsseizoen wordt begonnen met de jongvogeldag en
beëindigd met de Rayonshow in Oud-Beijerland. Daartussen zitten de
shows in Elst, Hoofddorp en sinds kort de Twentse Glosterdag. In
Goirle doet Ad ook wel eens mee.
Bij alle
shows is hij meerdere malen kampioen geweest. Waar hij best een
beetje trots op is, is zijn overwinning in 1995. Hij durfde bijna
niet naar de tentoonstelling van onze club, omdat hij dacht er niets
te zoeken te hebben: ”Al die toppers die regelmatig hun bestand
aanvullen met goede vogels uit Engeland…… . Bert Munneke, die een
paar gebruikte veren plantte om mijn vogels op te waarderen, had het
gelijk aan zijn zijde: ik werd algemeen kampioen bij de kuiven” .
Ondanks
het vele plezier dat Ad heeft met zijn vogelhobby geeft hij ook aan
het jammer te vinden dat sommige inzenders en bezoekers van
tentoonstellingen altijd weer vogels afkraken die in de prijzen
vallen. Anderen “verketteren” keurmeesters die hun werk niet goed
doen. “Ook ik heb wel eens een andere mening, maar ik vraag een
goede kweker om zijn mening en dat maakt me scherp”.
Over de
ENGS heeft hij een duidelijke mening: “Het is een goed clubje met
zeer goede keurmeesters. Als Engelse keurmeesters mijn vogels keuren
ben ik vaak tevreden als deze kenners mijn vogels waarderen met een
plaatsing 3, 4 of 5. Bovendien komen op de tentoonstelling minder
bekende kleurslagen aan bod zoals agaten en isabellen, welke ik de
mooiste vind in mijn vluchten”.
Binnen de
ENGS mist Ad wel de voorlichting. Hij zou graag zien dat er meer
zaken binnen de club gebeuren, zoals bijv. een jongvogeldag,
vogelbesprekingen e.d. Het clubblad is volgens hem meer een
mededelingenblad. Hij mist hierin de promotie naar de beginner. Dit
zou drempelverlagend kunnen werken.
De laatste
tentoonstelling vergeet Ad niet snel. Hij had redelijk gespeeld en
kwam met een goeie gratis gloster thuis die de ENGS verloot had
onder alle medewerkers aan de tentoonstelling.
|