
René is
op zijn tiende begonnen met de vogelhobby. Hij kreeg toen zijn
eerste geelbonte kanarieman van een oudere neef die deze in een
volière had vliegen. Tijdens een speelmiddag bij zijn “vriendje”,
die tegenover Hennie Asbroek woonde, ontdekte hij een losvliegende
kanarie. Hennie hielp hem bij het vangen. Het bleek een pop te zijn
en deze vogel werd de partner van zijn geelbonte pietje. Hennie kon
toen niet voorzien dat door zijn hulpvaardige actie René een
fanatiek vogelliefhebber zou worden. Het leuke is dat hij Hennie nog
regelmatig ziet. Hij is al jarenlang postuurkanariekweker en
keurmeester bij de Algemene Bond.
Uit dit
eerste koppeltje kanaries werden drie jongen geboren. Op zijn elfde
verjaardag kreeg hij van de schoonvader van zijn oudste broer een
kist vogels. Het was van alles door elkaar: roodagaten, vetstof
rood, waterslagers, bastaardputters, sijsjes en zebravinken. Er werd
een groot hok gebouwd. Zoals voor veel vogelaars geldt, bleek René
zeer vaardig te zijn in het bedenken en timmeren van broedkooien.
Tot op de dag van vandaag is alles in zijn hok zelf bedacht en
gemaakt.
Hij werd
lid van de E.T.K.V. en de kanarievereniging “P.J. Helder” te
Hengelo. Aanvankelijk kweekte René rode kleurkanaries maar bij de
laatste vereniging zaten een groot aantal topkwekers van
postuurkanaries. Daar werd hij verliefd op de beatlekanarie. Omdat
veel leden van deze vereniging jaarlijks naar grote shows in het
buitenland gingen, kon hij als jong kwekertje profiteren van de
nakweek van geïmporteerde vogels. Na zijn verhuizing naar Nijverdal
werd hij lid van de plaatselijke vereniging waar hij nu al 20 jaar
lid is. Tevens is René lid van de Postuurclubs van de Algemene en de
Nederlandse Bond en natuurlijk van onze club.
Op
dit moment kweekt hij met glosters en cresten.
Zijn jongste zoon Loran kweekt met borders. De glosters zijn
de favorieten van René. Zij zijn met eerste
liefde. Ondanks het feit dat vaak geschreven wordt dat het een
beginnersvogel is, vind ik de glosters nog steeds één van de
moeilijkste rassen. De ontwikkeling van dit ras staat nooit stil en
de concurrentie is enorm. De kwaliteit van de vogels van veel
kwekers ligt erg dicht bij elkaar. Het is de kunst om de kwaliteit
te behouden. Je wint op basis van kleine verschillen, zoals net iets
ronder, net iets meer kleur of strakkere bevedering of met een nets
iets mooiere kop of kuif”. Helaas
zien we volgens hem de groene of de groenbonte kleur overheersen.
Hij is een liefhebber van andere kleuren. Al in 1983 schreef hij in
“Onze Vogels” een uitgebreid verslag over de verschillende kleuren
van de gloster. We zien nu na 20 jaar nog steeds weinig andere
kleuren. Op dit moment is hij bezig met groenopaal.
Begin
maart is René begonnen met de kweek. Hij heeft 40 koppels glosters,
10 koppels cresten en 6 koppels borders. Ze zijn gehuisvest in een
verblijf van zes meter lang en drie meter breed. De wanden zijn
betegeld en op de vloer liggen plavuizen. Er is centrale verwarming
en tevens is er een aanrecht met warm en koud stromend water. In de
ruimte zijn 3 vluchtjes van 1,50 meter lang en
70 cm hoog. De broedkooien daarnaast (geplastificeerd spaanplaat met
uitschuifbare tussenwanden) zijn 55 cm x 55 cm x 50 cm. Erg ruim dus
en zeer goed geschikt voor de grotere rassen. Van deze grote
broedkooien zijn vluchtjes te maken tot 4,50 meter lang. In geen van
de kooien zijn lades gemaakt, omdat dit een ideale schuilplaats is
voor ongedierte. Aan de rechterkant staat een 24-delige broedkooi
voor de glosters van 40 cm breed, 40 cm diep en maar 25 cm hoog.
Door de zitstokken laag te plaatsen is er boven de stokken net
zoveel ruimte als in een standaard kweekkooi. Vorig jaar heeft hij
hierin voor het eerst zonder problemen gebroed. In het hok zijn geen
speciale voorzieningen zoals ionisatoren. René gelooft niet in het
resultaat hiervan omdat gevormde ionen direct weer samengaan tot
moleculen en zo geen effect hebben. Wel heeft hij een
luchtontvochtiger om de vochtigheid onder de 70% te houden.
Als
bodembedekker gebruikt hij sinds vorig jaar fijn houtgranulaat dat
zeer veel vocht opneemt en geen stof geeft.
René
geeft zijn vogels het gehele jaar een zaadmengeling, waarin ook
zwartzaad zit. Eivoer krijgen ze het gehele jaar door, in de
wintermaanden twee keer per week. Vanaf zijn eerste kweekjaar maakt
hij eivoer dat voor de helft bestaat uit fabrieksvoer en de andere
helft een eigen “bedenksel”. Dit laatste bestaat uit een hoeveelheid
grof “broodmeel” dat gelijk is aan de hoeveelheid kant - en klaar
eivoer. Hieraan wordt toegevoegd: drie hard gekookte eieren, gekiemd
raapzaad (in nylonkous), een halve eetlepel zeewier, een halve
eetlepel biergistpoeder en een halve eetlepel druivensuiker. Dit
alles wordt een beetje vochtig gemaakt met een scheut Roosvice.
De
jongen die van de ouders af zijn, krijgen er ook nog regelmatig
gekookte rijst doorheen ( lekker veel koolhydraten - licht
verteerbaar dus en veel snelle energie!). Afgelopen winter heeft hij
de eieren en de genoemde poeders door elkaar geklopt en vervolgens
in de magnetron gedaan. Er ontstond een vies gekleurde, smerig
ruikende eierkoek, die echter zeer graag door de vogels gegeten
werd. Het voordeel hiervan is dat de toevoegingen met het ei voor
100% opgenomen worden.
Het
broedrijp maken van de vogels gaat enkel met het verlengen van het
licht. In het hok is het altijd rond 18 graden.
Het
samenstellen van de kweekkoppels wordt door veel factoren bepaald.
Hierbij spelen bepaalde bloedlijnen een rol. Ook zijn er probeersels
zoals het inkweken van de opaalkleur.
Vervolgens zijn er aangekochte vogels uit een lijn waarin veel
hangvleugels zaten, maar die weer subliem zijn in kleur en kuif. Het
kost dan extra denkwerk om deze zo te koppelen dat je zeker weet dat
de partner in de afstamming géén hangvleugels heeft. Zo probeert hij
de voordelen van de vogels te behouden.
Ondanks
de standaard zijn er veel verschillende typen glosters. René houdt
persoonlijk van kort en rond. Wil je echter de kuif en de kleur
verbeteren, dat heb je al gauw te maken met bepaalde Engelse en
Belgische bloedlijnen, waarvan de vleugels en de staarten lang zijn
en er geen vulling is in de “kont”.
Daarnaast is er de harde kern. De vogels waarvan je al jaren weet
wat er in zit en wat er uit komt. Zo is de cinnamonlijn de meest
stabiele in zijn hok. Het type zit er gewoon ingebakken. Hier kweekt
hij in zeer nauw familieverband. “Vooral je eigen smaak moet je
zoveel mogelijk volgen. Zo heb ik een afkeer van glosters met losse
flanken. Uiteindelijk denk ik dat je alle goede veerstructuren in je
bestand moet hebben en dat je op basis van compensatie moet proberen
om een korte, volle, ronde gloster met een strakke veer en een warme
kleur te kweken”.
De
kweekresultaten worden nauwgezet bijgehouden in de computer, zonder
gebruik te maken van een speciaal kweekprogramma. Ook gegevens van
aangekochte vogels worden opgeschreven.
In
principe blijft elk koppel tijdens de hele kweekperiode bijeen. Hij
heeft slechte ervaringen met wisselbroed. Vaak liepen de poppen van
het nest af of waren de eieren regelmatig onbevrucht.
Problemen in de kweek kom je ieder jaar tegen. Men werkt met levend
materiaal. Als je denkt dat alles voor de kweek in topconditie is,
heb je ineens weer een van de mooiste vogels ziek. Koppel je op
papier de ideale combinatie, blijkt in de praktijk dat ze elkaar
bijna van kant maken en moet je weer naar andere partners zoeken.
Heb je de jongen bijna zelfstandig, pikt de man een van de jongen
dood. Zo is er ieder jaar weer iets anders. Enkele jaren geleden
ging Bert Munneke langere tijd op vakantie. De norwichs van hem
kwamen bij René. Hij hoopte voor hem veel mooie jongen te kweken. Na
de eerste ronde had hij er dertien, maar helaas gingen er een aantal
dood. Na onderzoek bleken ze vol te zitten met de Megabacterie. De
dierenarts die ze onderzocht adviseerde hem om ze verdund zoutzuur
door het water te geven om de gezonde PH-waarde van de
spijsvertering te herstellen. Hij kon zijn oren niet geloven.
Zoutzuur? Dit middel bleek echter zeer goed te helpen. Alle vogels
herstelden. Hij kon dit middel zonder enige schade langdurig aan
alle vogels geven. Weer iets geleerd! Natuurlijk snel een artikel
voor het postuurkanarieblad geschreven zodat iedereen met dit
probleem geholpen was.
De beste
remedie tegen bloedluis is gewoonweg je hok en vogels zo schoon
mogelijk houden en de potentiële schuilplaatsen te minimaliseren.
René maakt zijn hok enkele keren per jaar schoon met chloor. Daarna
wordt alles ingespoten met Ocepou. De vogels kunnen vaak baden. Hij
wisselt badzout af met Gezasept. Daarnaast worden alle vogels enkele
keren per jaar ingespoten met U2-op.
De
zitstokken worden regelmatig met heet water gereinigd, waarna de
uiteinden in U3 worden gedompeld.
De jonge
vogels gaan in de babyvlucht als de staarten een bepaalde lengte
hebben gekregen en gaan sluiten. De vogels moeten dan wel
zelfstandig eten en niet meer zo vaak bedelen. Dan gaan de jonge
vogels van ongeveer dezelfde leeftijd uit de broedkooi in de
babyvlucht.
Het
selecteren van de jonge vogels doet René gelijk na het kweekseizoen.
De jongen worden dan geselecteerd op geslacht, kuif/gladkop en
kleur. Zo ontstaan er vluchtjes met bruine consortpoppen, groene
coronapoppen enz. Als de mooiste jongen geselecteerd zijn, gaat hij
tellen. De jonge kuiven die van zeer goede kwaliteit zijn worden
apart gezet. De gladkoppen gaan daarna in zestallen in vluchtjes.
Opkooien voor een show doet hij nooit. Hij is van mening dat het
showkarakter aangeboren is. Hij selecteert op rustige vogels. Als
hij een wilde fladderaar heeft, ruimt hij deze op. Soms zijn zijn
vogels te rustig en komen ze op belangrijke shows amper in beweging.
Dit jaar kwam een prachtige groene gladkop in Elst niet op stok.
Dezelfde vogel werd bij onze club de beste gladkop van de show. Drie
jaar geleden kon men in Elst een mooie cinnamon vanwege hetzelfde
euvel niet keuren. De cinnamon zat vervolgens in de stam die in
Apeldoorn kampioen werd!
Op de
vraag wat andere vogelliefhebbers kunnen leren, antwoordt René: “Volg
je eigen smaak. Koop nieuwe vogels uit een lijn die met jouw smaak
overeenkomt. Kweek vooral een goed bestand aan poppen. Mannen koop
je erbij als je ze echt nodig hebt. Wees echter kritisch. Heb je de
nieuwe vogels eenmaal thuis, dan kunnen ze in vergelijk tot je eigen
vogels tegen vallen.
Ben je
teleurgesteld, ruim ze dan weer op . Kweek niet met vogels die je
eigenlijk tegenstaan. Vooral als je vogels uit een koud hok koopt en
je hebt het zelf verwarmd, dan kan het volume van de gekochte vogels
eenmaal in de warmte nogal tegenvallen. Bekijk de kwaliteit van
bepaalde bloedlijnen liever op de shows”.
René
geniet van het spel dat vaak al tijdens de kweek begint. “De een
heeft nog meer kampioenen op stok dan de ander. Sommigen gaan al in
de zomermaanden met hun eerste uitgeruide jongen de boer op. Wat
baal je dan als je ze zelf nog niet zover hebt en wat zijn ze mooi!
Vervolgens komen de eerste jongvogeldagen. Ik krijg binnen de
kortste tijd alle successen te horen. Met knikkende knietjes en na
enkele slaaploze nachten kom je elkaar dan de eerste keer tegen in
Elst. Wat een spanning. Dit gaat zo het gehele showseizoen door.
Elst, Hengelo. Shortens (Dtl.) en Hoofddorp. Prachtige glosterdagen
met één grote familie.”
Een
vraag aan alle kwekers die meewerken aan ons interview in dit
clubblad: “Op welke resultaten tijdens een tentoonstelling ben je
best een beetje trots?”. Antwoord van René: “Op welke resultaten
ik een beetje trots ben is moeilijk te zeggen. Tegenwoordig is de
concurrentie enorm. Iedereen kan een kampioen kweken. Echter jaren
achter elkaar topvogels kweken vind ik een echte prestatie. Als ik
dertig vogels voor een glosterdag inschrijf en twintig vogels zijn
bij de beste zeven, dan ben ik trots. Vooral, als je een klasse wint
waar een groot aantal vogels in zitten. Zo heb ik de afgelopen jaren
erg goed gescoord bij de groene gladkopklasse. Dit is vaak de
grootste klasse. Wel baal ik als er van mij wordt gezegd dat ik
alleen met gladkoppen win. Uit de uitslagen van de afgelopen jaren
kun je zien dat ik ook elk jaar grote klassen win met kuiven. Ik ben
echter kritischer bij het opsturen van kuiven omdat ik weet dat de
concurrentie daar groter is als bij de gladkoppen.
Dit jaar
heb ik voor eerst in Duitsland mijn glosters geshowd. Het was een
prachtig weekend met ”de boys uit Twente”. Ondanks hun concurrentie
en die van Dhr. Lichtendonk, die drie jaar lang in Schortens bijna
alles gewonnen had, wist ik tien klassen te winnen. Uiteindelijk was
een groene coronaman de beste coronaman , een groene coronapop de
beste coronapop en een groene gladkopman de beste gladkopman. Van
de drie hoofdgroepen had ik er drie gewonnen. Hier was ik natuurlijk
best trots op”.
René is
lid van onze club, omdat het er gewoon bij hoort. Hij vindt dat als
je wat met je vogels wilt bereiken, je contacten en show nodig hebt.
Wat hij mist vanuit ons clubje is het verslag in het landelijk
postuurblad. Al enkele jaren staan de uitslagen van Hoofddorp niet
in het postuurblad terwijl alle andere glostershows en eendagshows
van andere rassen er wel in staan. (Noot redactie: nemen we mee voor
volgend jaar). De tentoonstelling zoals die in Hoofddorp, bevalt hem
zeer goed. Het “schuifsysteem spreekt hem erg aan. De keuze van de
keurmeesters is prima en het vlotte keuren geeft voldoende tijd om
de vogels nog rustig te kunnen bekijken. Er heerst volgens hem een
gezonde spanning en de shows verlopen altijd sportief, waarbij hem
opvalt dat iedereen een kampioenschap gegund wordt. Het clubblad
vindt hij te mager en komt volgens hem niet op de juiste momenten
uit. Het verslag van de novembershow verschijnt pas in het voorjaar.
Hij zou liever drie keer het clubblad zien: 1x voorafgaande aan de
show, 1x na het tt-seizoen met een verslag van de belangrijkste
shows in binnen- en buitenland en 1x voor de zomervakantie met
eventueel verslagen van hoe bij een aantal kwekers de kweek verlopen
is.
|