
Het zou
begin jaren 70 geweest zijn (ik was 13-14 jaar) toen ik bij enkele
ooms kwam die tropische vogels hielden. Ik ben toen besmet geraakt
met het vogelvirus (een goed virus!). Er stond toen ook een volière
met vogels aangeboden in een lokaal krantje en ik ben daar gaan
kijken samen met mijn ouders. Het zag er leuk uit dus de deal was
snel gesloten. In deze volière zaten enkele kleine tropische vogels
en wat kanaries waarvan 1 met een petje. Dit was de leukste. ‘Maar ja, wat was dat er voor 1?” Ik was inmiddels in 1974 lid
geworden van de plaatselijke vogelvereniging (De Diamantvink) en ben
daar in contact gekomen met enkele glosterliefhebbers, want dat
vogeltje bleek zo te heten. Zij hebben mij het een en ander verteld
over kuiven en gladkoppen en hoe je deze kon kweken. Ik werd
geholpen aan een gladkopman om met dat kuifpopje verder te gaan.
Inmiddels was er ook met behulp van een oom een grotere volière
gebouwd. Tevens kreeg ik van hem een koppel gouldamadines.
In de
jaren erna werden er wat vogels gekweekt waaronder ook wat glosters.
Ik heb toen een aantal broedkooien aangeschaft om wat gericht te
gaan kweken. Deze stonden toen in een glazen corridor wat niet zo
gunstig was voor de kweek. De temperatuur vertoonde grote
schommelingen. Dit had o.a. verdroogde eieren tot gevolg met
daardoor weinig kweekresultaten. In de jaren daarna is de vogelhobby
wat op de achtergrond geraakt.
Eind jaren
’80 (nadat ik langdurig geblesseerd was geraakt met voetbal) ben ik
weer teruggevallen op de vogelhobby. Ik heb mijn huidige kweekruimte
gebouwd in een goed geïsoleerde schuur waar de temperatuur zeer
constant blijft. Dat was voor mij heel belangrijk geworden, gezien
de ervaring van jaren daarvoor. Hierin zitten 2 vluchten van 1.5 m x
1.5 m x 0.6 m met daarin allemaal afzonderlijke zitplaatsen om zo
het verenpikken tegen te gaan. Verder staan er 45 broedkooien
waarvan er 10 gebruikt worden voor de gouldamadines en 35 door de
glosters. Deze kooien zijn 40 cm x 40 cm x 40 cm. Door het
verwijderen van de tussenschuif zijn ze in lengte te verdubbelen.
De glazen
corridor heb ik nog steeds. Hierin staan nog een aantal grote
vluchten waar ik mijn vogels buiten het kweekseizoen in kwijt kan.
In de zomer gaat er krijt op het dak om de temperatuur in toom te
houden.
Na de rui
worden de eerste vogels eruit gepikt die geschikt zijn voor de
tentoonstelling. Ik kooi ze op in de broedkooien en later in de
tt-kooien.
Ik speel
graag mee op 1-dagsshows omdat dit het minste van je vogels vergt.
Dit zijn de shows in Hoofddop, Elst en sinds vorig jaar Hengelo. Het
is leuk om daar je vogels te vergelijken met topvogels van andere
glosterliefhebbers. Ik heb op enkele van deze shows ook wel eens
mogen winnen in een klasse, wat je grote voldoening geeft. Het mooie
van deze shows is ook het grote aantal klassen waarin je mee kan
spelen. Hierdoor wordt het leuk om in meerdere kleurslagen glosters
te kweken. Tijdens het tentoonstellingsseizoen vindt ook de selectie
plaats omdat je dan ook weer bewust gemaakt wordt van al de eisen
waaraan een gloster moet voldoen.
De
kwaliteit van de vogels groeit de laatst jaren dicht naar elkaar
toe, zodat de kleur van de bevedering en de totale bevedering het
verschil kan maken. Hier wordt ook goed op gelet tijdens de
selectie. Na de shows gaan de vogels in vluchten om voldoende rust
te krijgen voor het broedseizoen. Tijdens deze periode zitten mijn
vogels op daglicht, hetgeen betekent dat de dagen kort zijn.
Begin
januari laat ik altijd een mestonderzoek houden bij Jan de Weert. Op
deze manier kunnen eventuele kwalen nog verholpen worden en kom ik
tijdens de kweek niet voor onverwachte problemen te staan. Alleen
dan gebruik ik als het nodig is medicamenten.
Omstreeks
half februari worden mijn mannen naar de broedruimte gebracht en op
14 uur licht gezet om broedrijp te worden. Ongeveer 14 dagen later
gaan mijn poppen naar deze ruimte om hetzelfde proces te ondergaan.
Ik doe dit om er zeker van te zijn dat mijn mannen in broedconditie
zijn.
Voordat
alle vogels naar de kweekruimte gaan worden ze zorgvuldig gereinigd
en worden de kooien ingespoten met Océpou. Met de lange nawerking
heb je eigenlijk nooit problemen met luis.
De mannen
zitten eerst opgekooid in de broedkooien en de poppen in de
vluchten. Aan hun gedrag kun je vaak zien of ze broedrijp worden.
Als dat het geval is ze naar de broedkooien en kan de man erbij. Dan
krijgen ze een goed kanariemengsel en Aves opfokvoer wat aangemaakt
wordt met Biogarde yoghurt. Dit krijgen ze het hele jaar door
behalve in de rustperiode na de rui. Dan krijgen ze dit maar 2x per
week. Ik geef er de voorkeur aan om tijdens de kweek, zodra er
jongen zijn, meerdere keren per dag eivoer te geven, zodat de poppen
regelmatig van het nest komen om de jongen te voeren.
Op de
bodem van de broedkooien gebruik ik Top Fresh. Dat zijn geperste
houtkorrels die zeer goed absorberen, waardoor het heel erg droog
blijft. Om de luchtkwaliteit in de kweekruimte goed te houden wordt
er voldoende geventileerd en staat er een ionisator. Tijdens de
kweek staat de thermostaat op 15 graden welke aangesloten is op een
ventilatorkacheltje. Deze ventilator draait in de zomer zonder te
verwarmen 1 kwartier per uur om voldoende te ventileren.
Ik gebruik
ongeveer 20 mannen en 25 poppen, zodat er wisselbroed toegepast
wordt. Dit houdt in dat je wel de mannen op tijd bij de poppen moet
plaatsen als de jongen bijna uitvliegen. Ook verstrek ik voldoende
nestmateriaal om verenpikken tegen te gaan. Zodra ik zie dat de
jongen zelf eten verplaats ik ze naar de vlucht. Dit doe ik gelijk
met 20 vogels zodat er een bepaalde rangorde ontstaat wat de rust in
het hok bevordert. Deze groep blijf bij elkaar tot na de rui, want
haal je er 1 uit dan begint het vechten. Verder geef ik een tip om
gedurende de kweek niet te gaan schuiven in de belichtingstijd. Je
vogels vallen dan gemakkelijk in de rui, wat een vroegtijdig einde
van de kweek veroorzaakt. Ik heb ook zo een keer de otter gevangen.
Een doel van mij is nog steeds het winnen van een bepaalde klasse in
Hoofddorp en dan het liefst met de bekende jongens…
|